banner
   
Home Kuiftinamoe - Eudromia elegans Alfabetisch
Register
       
Leefgebied     Voortplanting
 
Kuiftinamoe Burgers 2009

Kuif tinamoes zijn grondvogels met
stevige looppoten.

Ze hebben goed ontwikkelde vleugel-spieren, maar kunnen niet goed vliegen.

Bij gevaar houden de schuwe tinamoes
zich muisstil of rennen hard weg.

Alleen als het echt niet anders kan
vliegen ze op.

Om voedsel te zoeken gebruiken tinamoes alleen hun snavel, terwijl vergelijkbare grondvogels (zoals fazanten en hoenders) daar vooral hun stevige looppoten voor gebruiken.

De kuiftinamoe kan men heel makkelijk herkennen aan de lange, naar voren
gebogen kuif.

Ze zijn licht- tot donkerbruin met zwarte stippen en strepen. Er zijn witte dwarsbandjes op de vleugels zichtbaar en achter en onder het oog loopt een lichte streep.

Het zijn vrij schuwe vogels die in kleine tot middelgrote groepen in bosachtige en
grazige gebieden leven.

Bij gevaar drukken ze zich op de grond en blijven doodstil zitten of ze vliegen plots luidchreeuwend op.

Wanneer ze toch gegrepen worden kunnen ze een deel van hun dikke verenpak loslaten om zo te kunnen ontsnappen.

Als een mannetje in broedstemming is, lokt hij meerdere vrouwtjes om mee te paren.

In zijn nest komen zo eitjes van verschil-lende vrouwtjes .

Kuiftinamoe Burgers 2009
Er zijn fossiele resten gevonden die dateerden tot 10 miljoen jaar oud. Het uitgebreide DNA-onderzoek van 2008 plaatst de Tinamoes zelfs samen met alle loopvogels binnen een enkele groep, als een zustergroep van de kiwi en de casuaris.

Hoe in dat verband het vliegvermogen van de Tinamoes te verklaren is tegen de achtergrond van het onvermogen van de andere struisvogelachtigen is niet goed duidelijk.
 

Zuid-Amerika Chili en Argentinië

5-9 eieren

   
Leefomgeving Broedtijd
   

droge graslanden, half woestijnen, open bosgebieden, droge berg-hellingen en land-bouwgronden

20-21 dagen

   
Voedsel Leeftijd
   

zaden, bessen, vruchten en insecten

   
Lengte en gewicht Bijzonderheden
   

37-41 cm.
600 gram

Het mannetje broedt de eieren
uit en verzorgt de jongen.

Mogelijk hebben ze in strijd met de zogenaamde wet van Dollo het vliegvermogen herkregen.

De wet van Dollo:

De hypothese stelt dat evolutie een onomkeerbaar proces is.

Dollo stelde: Een organisme kan niet terugkeren, of gedeeltelijk terugkeren, naar een stadium dat door zijn voorouders werd bereikt.

De hypothese houdt onder andere in dat een orgaan dat door evolutie is verdwenen later niet meer opnieuw ontwikkeld wordt in dezelfde soort.  

Een paar dagen na het uitkomen kunnen de jongen al zelf hun voedsel zoeken. Onder-tussen kunnen de vrouwtjes bij andere mannetjes hun eieren leggen.