banner
   
Home Defassa-Waterbok - Kobus ellipsiprymnus defassa Alfabetisch
Register
       
Leefgebied     Voortplanting
 
Defassa waterbok Dierenpark Emmen 2007
De waterbok is een grote antilopesoort met een lange, ruige vacht.
Defassa waterbok Dierenpark Emmen 2007 De oren zijn groot en wit, met zwarte punten. Een witte streep loopt van de wenkbrauw langs de snuit tot het oog.

Rond de snuit en de lippen zit een witte vlek. Over de keel, haast van oor tot oor, loopt een witte kraag.

Alleen het mannetje heeft hoorns. Deze zijn zwaar geringd en krommen lichtelijk achterwaarts, aan de top weer voorwaarts.

 

De waterbok leeft in beboste gebieden, savannes en valleien, in de nabijheid van water. De waterbok dankt zijn naam aan het feit dat hij meestal vlakbij water te vinden is.

De waterbok is een kuddedier en leeft in kleine kuddes van 5 tot 12 dieren, bestaande uit een dominant mannetje en enkele vrouwtjes en jongen.

Mannetjes zonder harem, meestal dieren die niet ouder zijn dan vier jaar, leven in vrijgezellengroepjes van wel 40 dieren.
Defassa waterbok Dierenpark Emmen 2007
 

Noordoost-, Centraal- en
West-Afrika

1 soms 2 jongen

   
Leefomgeving Draagtijd
   

savanne, grasland en waterrijk gebied

280 dagen

   
Voedsel Leeftijd
   

Voornamelijk grassen

18 jaar

   
Lengte en gewicht Bijzonderheden
   

kop-romplengte
177-235 cm.
schouderhoogte
120-136 cm.
staart 33-40 cm.
♂ 200-300 kg.
♀ 160-200 kg.
hoorns 50-100 cm.

Belangrijkste vijanden in het wild zijn luipaarden, hyena's, leeuwen en wilde honden

     
De waterbok is zeer trouw aan zijn woongebied, en sommige dieren blijven tot acht jaar in hetzelfde gebied.

Mannetjes zijn territoriaal.

Soms leeft hij solitair, voor-namelijk een door de groep verstoten dier.
Defassa waterbok Dierenpark Emmen 2007 Defassa waterbok Dierenpark Emmen 2007

Bij gevaar vlucht een waterbok weg, meestal in lang gras of dicht struikgewas, maar het komt regel-matig voor dat het dier zich haast geheel in het water verbergt, waarbij enkel de neusgaten boven water steken.
Na een draagtijd van meer dan acht maanden wordt één jong geboren, dat de eerste twee weken verborgen blijft. Na deze weken volgt het jong zijn moeder naar de kudde. Na zes maanden wordt het jong gespeend. Vrouwtjes zijn volgroeid na drie jaar.