banner
 
Home Verklaring moeilijke woorden en begrippen  
     
     
Aarsvin Een niet-gepaarde vin aan de ventrale achterzijde van een vis.
     
Abortus Het woord 'abortus' betekent in de medische terminologie voortijdige geboorte of miskraam. Een miskraam wordt door medici dan ook wel aangeduid als een 'spontane abortus'. De volledige term abortus provocatus komt uit het Latijn: aboriri = vergaan of verloren gaan en provocare = oproepen.
     
     
     
Apen van de
Nieuwe Wereld
Noord- Midden en Zuid-Amerika worden samen ook wel de "Nieuwe Wereld" genoemd.

In totaal zijn er meer da 75 soorten Nieuwe Wereld-apen. Veel van hen, vooral de grotere soorten, hebben een grijpstaart. Die gebruiken ze als een soort vijfde hand. Ze kunnen er met hun volle gewicht aan hangen waardoor ze handen en voeten vrij hebben om voedsel te vergaren of te spelen.
     
Apen van de
Oude Wereld
Europa, Azië en Afrika; de werelddelen die al in de oudheid bekend waren, worden wel de "Oude Wereld" genoemd.

De tegenwoordige Oude Wereld-apen leven in Afrika en Azië in allerlei diverse gebieden. Van de vochtig warme regenwouden rond de evenaar in Centraal Afrika en Indonesië, tot de droge savannen van Noord-Afrika en de Japanse eilanden waar een gematigd klimaat heerst.

Hoewel ze bijna allemaal goed kunnen klimmen, brengen veel Oude Wereld-apen tenminste een deel van hun tijd op de grond door. Over het algemeen zij ze groter dan de apen van de Nieuwe Wereld, en allemaal hebben ze platte nagels aan vingers en tenen. Grijpstaarten hebben ze niet.
     
Binoculair Binoculair zicht wil zeggen dat de ogen zich tegelijkertijd op hetzelfde punt kunnen richten.

Elk oog heeft een gezichtsveld. Het gezichtsveld van elk oog overlapt elkaar gedeeltelijk. In het gebied van de overlapping heeft de waarnemer binoculair zicht. Dit binoculair zicht maakt stereopsis of dieptezicht mogelijk waardoor de nauwkeurigheid van de dieptescherpte sterk opgedreven wordt.
     
Boeklong Een boeklong is een long, gestapeld en gevouwen in weefsel, gelegen in een speciale lichaamsholte. Onder de microscoop ziet de gevouwen structuur van dit ademhalingsorgaan eruit als de bladzijden van een boek, vandaar de naam. De boeklong wordt aangetroffen bij veel soorten spinachtigen. Spinnen hebben vaak ťťn paar, maar er zijn ook spinachtigen met meer boeklongen. Schorpioenen hebben vier paar boeklongen. De boeklong wordt gevormd uit de achterste segmenten. In de boeklong vindt uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide plaats tussen hemolymfe en de lucht.
     
Ciguatera Ciguatoxine komt voor in algen in tropische zeeën, met name in de Grote Oceaan en het noorden van de Caribische zee waaronder de zeeŽn rondom Saba (Sababank), St Eustatius en St Maarten. Ciguatoxine wordt amper afgebroken in dieren waardoor de concentratie van het gif groter wordt naarmate men hoger in de voedselketen komt. Kleine vissen eten de algen, grote vissen eten de kleine, nog grotere de grote etc. tot men in de top van de voedselketen komt. Grote roofvissen zoals de barracuda, murene en grouper kunnen hoge concentraties van het gif bevatten. Wanneer deze besmette vissen gegeten worden kan het ciguatera vergiftiging geven. Ciguatoxine is hittebestendig en gaat dus niet kapot bij het koken of bakken van de vis.

Ciguatera vergiftiging geeft vooral maagdarm- en neurologische klachten. De belangrijkste symptomen zijn; misselijkheid, overgeven, diarree, hoofdpijn, spierpijn, gevoelsstoornissen en hallucinaties. Een typisch verschijnsel bij ernstige gevallen is de koude allodynie, hierbij krijgen patiënten een brandend gevoel wanneer ze met iets kouds in aanraking komen. Soms wordt dit beschreven als het omkeren van het koude en warmtegevoel maar dat is incorrect. Er zijn aanwijzingen dat het gif ook door seksuele gemeenschap of borstvoeding doorgegeven kan worden door reeds besmette patiënten. De klachten en symptomen kunnen weken en soms wel jaren aanhouden. Na jaren kunnen de klachten spontaan weer terugkeren, deze recidieven kunnen uitgelokt worden door diverse factoren zoals het eten van vis of drinken van alcohol.

Er bestaat geen specifieke behandeling tegen ciguateravergiftiging. Alleen symptoombestrijding en ondersteunende behandelingen zoals pijnstilling en infusie zijn mogelijk. Preventie door geen vis te eten uit risicogebieden is het meest belangrijk.
     
Cardiotoxinen Cardiotoxines zijn stoffen, meestal proteïnen, die de impulsgeleiding van het hart beïnvloeden. Dit kan leiden tot hartritmestoornissen of een hartstilstand.

Symptomen van cardiotoxinen zijn; uitputting, duizeligheid, hoge mate van transpiratie, ademhalingsmoeilijkheden, bloedcirculatiestoornissen en hartritmestoornissen.

Andere namen voor cardiotoxines zijn: cytotoxines, cobramines, membraan toxines en directe lytische factoren. Zij hebben een lytisch effect op vele cellen (lytisch betekent dat de cel uit elkaar klapt of 'lyseert', en dus kapot gaat), maar het hart is toch hun primaire doel.
     
Cheliseren Cheliceren (wetenschappelijk: chelicerae) zijn monddelen die aangetroffen worden bij de Chelicerata, een subfylum van de Arthropoda, waartoe bijvoorbeeld de spinachtigen behoren. Cheliceren worden gebruikt om voedsel mee vast te grijpen. Men treft ze dan ook aan in plaats van de mandibels die de meeste andere Arthropoda hebben. Cheliceren worden in sommige gevallen ook gebruikt om gif mee te injecteren, zoals bij de vogelspinnen.
     
Cloaca De cloaca (Latijn: "riool") is de opening in het lichaam van sommige dieren waardoor zowel ontlasting, urine en genitale afscheidingen (zoals de eieren) worden afgegeven. Alle vogels, reptielen en amfibieŽn hebben een cloaca. Dieren met een placenta (de meeste zoogdieren) en beenvissen hebben in plaats van een cloaca gespecialiseerde openingen.

In de embryonale fase hebben ook zoogdieren een cloaca. Naast zijn functie als afscheidingsopening blijkt de cloaca bij bepaalde diersoorten als lichaamskoeling te functioneren. Bij gilamonsters en Inca-duiven is gezien dat bij heel hoge omgevingstemperaturen via de cloaca extra wordt gekoeld.
     
Convex Convex is een ander woord voor bol (het tegengestelde van hol of concaaf).
     
Coprofagie Coprofagie (van het Oud-Grieks: kopros - ontlasting en phagein - eten) is de wetenschappelijke naam voor het eten van ontlasting. Er wordt ook wel eens gesproken van scatofagie.

Bij sommige diersoorten (konijn, cavia) is dit normaal en nodig voor een goede spijsvertering. Er kan nog worden onderscheiden tussen het eten van de eigen ontlasting, van ontlasting van andere individuen van dezelfde soort (normaal voor cavia's) en van de ontlasting van andere soorten (normaal voor mestkevers). Ook van enkele schildpadden is bekend dat ze de mest van andere dieren eten.

Het opeten van eigen ontlasting komt soms voor bij honden die te vroeg bij hun nest zijn weggehaald en een stukje opvoeding van het moederdier te kort zijn geschoten. In het begin verwijdert de moederhond de ontlasting bij de puppies. Later leert ze hun dat je ontlasting buiten het nest doet en waar bij voorkeur. Dan zien ze dat het niet meer gegeten wordt, wel aan geroken. Puppies die te vroeg bij de moeder vandaan zijn gehaald, denken dat ontlasting nog steeds eetbaar is en kunnen vers gelegde of snel gedroogde poep van kleinere hondjes gaan eten. Het is dan geen voedsel, maar een vorm van opruimen.
     
Diurnaal Diurnaal levende organismen zijn organismen (dieren en planten) met een dagactieve levenswijze (Latijn: diurnus = overdag geschiedend, iedere dag terugkerend). Diurnaal betekent eveneens dagelijks of met een dagelijkse cyclus.

Overdag houden deze organismen zich bezig met hun belangrijkste voor het voortbestaan noodzakelijke dagelijkse activiteiten (bij planten is dat de assimilatie van zonlicht door middel van fotosynthese). Gedurende de nacht wordt gerust.

Een dagactieve levenswijze gaat gepaard met fysiologische en ecologische dagelijkse processen, die onder andere aangestuurd worden door de biologische klok. Daarbij speelt het hormoon melatonine een belangrijke rol.

Niet alle dieren zijn dagactief. Crepusculair levende organismen zijn actief gedurende de schemering en nocturnaal levende organismen zijn nachtactief. De diurnale, crepusculaire of nocturnale levenswijze maakt deel uit van het circadiane- of dagritme, dat in totaal ongeveer 24 uur omvat.

Peracaride kreeftachtigen zoals vele aasgarnalen, vlokreeftjes en zeekomma's bezitten een uitgesproken diurnale cyclus. Ze vertonen een duidelijke nachtelijke activiteit waarbij verticale migraties voorkomen. Anders gezegd: overdag zitten de diertjes in het zand ingegraven en 's nachts zwermen ze naar het zeeoppervlak toe. Migraties van zoŲplankton en pelagische vissen vertonen vaak een gelijkaardig diurnaal patroon.
     
Duivenmelk Duivenmelk is een melkachtige substantie die in de krop van duiven wordt geproduceerd nadat de jongen uit het ei zijn gekropen. Hiermee worden de jongen de eerste dagen gevoed. Enkele dagen voordat de eieren uitkomen wordt de binnenlaag van krop van de duif dikker. Dit wordt aangezet door het hormoon prolactine, hetzelfde hormoon dat bij zoogdieren de melkproductie aanzet. Uiteindelijk laat deze laag los en komt vrij als een melk- of kaasachtige substantie welke door de jongen eruit wordt gepikt.

Deze aanpassing is vrij uniek binnen het vogelrijk, maar komt ook voor bij flamingo's en zorgt ervoor dat duiven minder afhankelijk zijn van het broedseizoen. Dit duurt bij duiven dan ook enkele maanden lang. Zowel de vrouwtjes als ook de mannetjes geven duivenmelk. Duivenmelk bevat meer vet en eiwitten dan koemelk. Normaal leggen duiven twee eieren en hebben ze dus twee jongen. Als er uitzonderlijk drie zijn, dan is er onvoldoende duivenmelk en lopen de jongen groeiachterstand op. Als van twee eieren een niet uitkomt, dan heeft het jong dubbel zoveel duivenmelk en groeit het dubbel zo snel
     
Embryo Een embryo (van het Grieks embruon = ongeboren vrucht) is een dier of een plant in de vroegste stadia van de ontwikkeling. De groei van het embryo wordt door de embryologie, een onderdeel van de ontwikkelingsbiologie, bestudeerd.

Het embryo van een dier wordt ook vrucht of kiem genoemd. Bij gewervelde dieren spreekt men over het embryo in de stadia tussen de eerste celdeling van de zygote tot aan de geboorte of uit het ei kruipen. De granula is een van de vroegste stadia van een embryo.
     
Estuarium Een estuarium is een verbrede, veelal trechtervormige riviermonding, waar zoet rivierwater en zout zeewater vermengd worden en zodoende brak water ontstaat, en waar getijverschil waarneembaar is. Wanneer een rivier als een stelsel van aftakkingen uitmondt spreekt men van een delta.
     
Exoskelet

Een exoskelet of uitwendig skelet is een omhulling, die dient ter bescherming van het lichaam van een organisme. Een exoskelet komt onder andere voor bij alle arthropoda (geleedpotigen), mollusca (weekdieren), echinodermata (stekelhuidigen) en bryozoa (mosdiertjes). Een uitwendig skelet wordt gevormd door het epidermis (bij de weekdieren is dat de buitenste laag van de mantel) en wordt niet omgeven door levend weefsel.

Een exoskelet is typisch voor ongewervelden. Dit in tegenstelling tot dieren met een inwendig skelet, die gewervelden (Vertebrata) worden genoemd.

Het exoskelet is opgebouwd uit hard materiaal, dat kan bestaan uit hoornachtige stoffen, zoals chitine of uit calcium verbindingen, zoals calciumcarbonaat en calciumfosfaat. Omdat het materiaal waaruit het skelet bestaat vaak relatief zwaar is heeft een exoskelet vooral voordelen voor kleinere dieren.

     
Folivoor Een folivoor is een dier dat zich vrijwel uitsluitend met bladeren voedt. Folivoren zijn specialisten binnen de groep herbivoren. Folivore dieren vindt men bij uiteenlopende groepen dieren, van insecten en apen tot reptielen. Voorbeelden zijn het wandelend blad en de wandelende tak, de Indri (een halfaap), en enkele reptielen zijn de groene leguaan en de doornstaartagamen uit het geslacht Uromastyx, die een voorkeur hebben voor bloemblaadjes.

Veel reptielen die bladeren eten doen dat voornamelijk op oudere leeftijd, en eten als juveniel meer prooien. Het woord folivoor is afgeleid van de Latijnse woorden folis (blad) en vorare (eten, verslinden).
     
Genootschaps-eilanden De Genootschapseilanden (Frans: îles de la Société; officieel: Archipel de la Société) zijn een van de vijf eilandengroepen van Frans-Polynesië in de zuidelijke Grote Oceaan.
     
Gynandromorfisme Gynandromorfisme is het verschijnsel in de biologie waarbij exemplaren uiterlijk sterk lijken op een mannetje, maar toch een vrouwtje zijn. Omdat ook het gedrag soms is aangepast, er vinden soms paarpogingen plaats, is het echter niet altijd makkelijk te ontdekken.

Gynandromorfisme is eigenlijk mozaïcisme (in hetzelfde organisme voorkomen van cellen van gelijke oorsprong met een verschillend genotype) in de geslachtschromosomen.

Een dier waarop dit verschijnsel betrekking heeft wordt gynandromorf genoemd en het treedt onder andere op bij enkele insectensoorten, waaronder de wandelende tak, crustaceae, maar ook bij hogere diersoorten als kippen en kanaries. Ondanks paarpogingen is een bevruchting echter uitgesloten, de vrouwtjes planten zichzelf voort door middel van maagdelijke voortplanting of parthenogenese.

Bilateraal gynandromorfisme komt ook voor. Hierbij is de ene helft van het lichaam mannelijk en de andere helft is vrouwelijk.
     
Habitat Een habitat (van het Latijn voor "het bewoont") omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt, doordat die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en voortplanten.

Het begrip habitat wordt vaak verward met het begrip biotoop.
Een biotoop beschrijft het geografische gebied waar een organisme leeft, terwijl een habitat uitgaat van de biotische en abiotische eisen van een organisme.
     
Hemocyanine Hemocyanine is een eiwit, dat in het bloed van sommige geleedpotigen voorkomt. Hemocyanide heeft een vergelijkbare werking als hemoglobine met als grote verschil, dat hemoglobine een ijzerion heeft en hemocyanine een koperion in de plaats. In geoxideerde toestand heeft het hemocyanide een blauwe kleur waardoor het bloed blauw gekleurd is.

Hoewel de werking van hemocyanine gelijk is aan de werking van hemoglobine, zijn er een aantal duidelijke verschillen in de moleculaire structuur en het mechanisme. Diersoorten die hemocyanine gebruiken voor zuurstoftransport zijn over het algemeen weekdieren en kreeftachtigen in koude omgevingen met weinig zuurstof. Onder die omstandigheden is hemocyanine efficiŽnter dan hemoglobine.

In andere omstandigheden is hemoglobine efficiŽnter dan hemocyanide, dit omdat hemocyanide minder makkelijk bindt met zuurstof.
     
Herbivoor Een herbivoor [latijn herba: gras, kruid, plant; -vorus: etend, eter] is een planteneter. Dit in tegenstelling tot carnivoren, die uitsluitend dieren eten. Het begrip herbivoor wordt hier gebruikt voor organismen die (vrijwel) uitsluitend planten, of delen van planten zoals bladeren, wortels, zaden, vruchten, bloemen, nectar, schors, hout, of plantensappen consumeren. Binnen de groep herbivoren zijn er specialisten die voornamelijk bladeren eten (folivoor) of vruchten (frugivoor). Wordt het menu van een herbivoor voor minstens 5% aangevuld met dierlijke voeding dan spreken we van een omnivoor.
     
Hermafrodiet Een organisme heet hermafrodiet als deze zowel de mannelijke als de vrouwelijke geslachtsorganen heeft, m.a.w. tweeslachtig is.

In de dierenwereld of zoŲlogie geldt precies het omgekeerde: daar zijn aparte mannelijke en vrouwelijke individuen de regel. Slechts 5% - 6% van de 1,2 miljoen diersoorten zijn hermafrodiet. Dit komt neer op 65.000 soorten. Voorbeelden vindt men onder de slakken en de regenwormen. In de dierenwereld kent men bovendien twee vormen van dichogamie of sequentieel hermafroditism: hierbij heeft het dier eerst het ene en daarna het andere geslacht. Dit komt vooral voor bij bepaalde vissoorten en schaaldieren. Daarbij zijn er twee varianten mogelijk. Bij protandrie is het dier eerst man en daarna vrouw (zie bijvoorbeeld amphiprion). Bij protogynie daarentegen is het dier eerst vrouw en daarna man (zie bijvoorbeeld: lipvissen)

Sequential hermafrodieten zijn organismen die worden geboren met de geslachtsorganen van een geslacht en de mogelijkheid om van sekse te veranderende op latere leeftijd. Soms, veranderen sequentiële hermafrodieten van geslacht op een voorbestemde tijd, als onderdeel van hun ontwikkeling.

Alleen bij Echt Hermafroditisme kan in een lichaam zowel ovarium-weefsel als testiculair weefsel voorkomen. Dat kan in de vorm van twee soorten geslachtsklieren, bijvoorbeeld links een testikel en rechts een eierstok, of het kan voorkomen in de vorm van ovotestes, waarbij beide soorten weefsel in de geslachtsklieren naast elkaar worden aangetroffen.
     
Herpes-B virus In 1990 werd ontdekt dat de makaken dragers zijn van het Herpes-B virus.
Bij apen veroorzaakt dit virus hooguit een koortslip maar voor mensen kan het dodelijk zijn.
Het virus kan pas worden overgedragen als de aap symptonen van de ziekte vertoont.
     
Hoed des doods Het woord "cobra" stamt uit het Spaans of Italiaans en is een verkorte vorm voor "cobra capello", hetgeen ongeveer "slang met hoed" betekent (verwijzend naar de karakteristieke uitzetbare halsribben achter de kop).
     
Hybride In de biologie is een hybride of kruising het resultaat van seksuele voortplanting van twee verschillende types planten of dieren. Een wat minder elegant woord is "bastaard". Hetgene wat gekruist wordt, de beide ouders, moeten herkenbare eenheden zijn, zoals: twee erkende soorten, ondersoorten, variëteiten, cultivars, rassen, etc.

Een kruising is meestal tussen twee soorten uit hetzelfde geslacht (intrageneriche hybride), maar ook kruisingen tussen twee soorten uit verschillende geslachten komen voor (intergenerische hybride).
     
Immuunsysteem Het immuunsysteem is een verdedigingssysteem met als doel indringers of veranderde eigen cellen te bestrijden. De Latijnse term immunis betekent vrijgesteld, verwijzend naar bescherming tegen indringers van buiten. BacteriŽn en eencelligen hebben evenals meercellige organismen wel cellulaire mechanismen om zich te verdedigen tegen virussen of andere bacteriën, maar wanneer we over een immuunsysteem spreken, bedoelen we de immuunrespons in multicellulaire organismen, waarin een groot aantal cellen en moleculen samenwerken om indringers te weren.

Naast de bescherming tegen virussen, bacteriŽn en parasieten wordt het immuunsysteem ook wel ingezet om afvalstoffen of zieke lichaamscellen als kankercellen op te ruimen.

Het immuunsysteem kan worden onderverdeeld in een aspecifiek (aangeboren) en adaptief (verworven) deel. Het aspecifieke deel is snel werkzaam, maar minder specifiek voor de ziekteverwekker (pathogeen). Het adaptieve deel daarentegen past zich aan de pathogeen aan, dit kost tijd, maar zal uiteindelijk een sterke afweer worden. Bovendien is het lichaam daarna vaak langdurig beschermd tegen dit pathogeen.
     
Juveniel In de biologie wordt er een jeugdig organisme mee aangeduid; een niet-geslachtsrijp exemplaar. Bij veel dieren is er niet alleen sprake van een jeugdvorm (uiterlijk) maar is er ook sprake van ander gedrag. Dit gedrag bestaat uit bijvoorbeeld uitproberen, provoceren en rondzwerven
     
Knipvlies Het knipvlies of derde ooglid (membrana nictitans) komt bij vele dieren voor. Verschillende reptielsoorten, vogels (bijv. kippen) en haaien hebben een volledig ontwikkeld knipvlies, terwijl in andere diersoorten alleen een overblijfsel zichtbaar is in de ooghoeken. Ook sommige zoogdieren zoals ijsberen en zeeleeuwen hebben een volledig ontwikkeld knipvlies. Bij mensen is een restant zichtbaar als een paars klontje in de ooghoeken.

Het vlies beweegt horizontaal over de oogbollen. Meestal is het doorschijnend en in sommige soorten is het ook doorzichtig. Bij spechten sluit het vlies zich enkele milliseconden voordat hun bek de stam (of iets anders) raakt, waardoor de ogen in de kassen blijven. Bij haaien beschermt het tegen beschadiging als zij hun prooi aanvallen en het beschermt ijsberen tegen sneeuwblindheid.

Bij katten en honden is het vlies wel aanwezig, maar vaak niet zichtbaar. Alleen als een kat ziek is, komt het zogenaamde derde ooglid tevoorschijn.

De reflex van het knipvlies wordt ook gebruikt bij klassiek conditioneren in experimenten met konijnen.
     
Kwaakblaas Kwaken is de lokroep van mannelijke kikkers om vrouwtjes van dezelfde soort aan te trekken door middel van een kwaakblaas. Dit is een sterk uitrekbaar stuk huid dat uniek is voor de kikkers. Niet alle soorten hebben een kwaakblaas, maar de kikkers die er een hebben kunnen een enorm kabaal maken en de pijngrens van de mens bereiken. Vooral de tropische fluitkikkers zijn berucht de mens uit zijn slaap te houden met een nachtelijk concert.

Kikkers kwaken uitsluitend om de andere sekse te lokken, het zijn meestal de mannetjes die kwaken maar er zijn uitzonderingen. De kwaakblaas kan bestaan uit een enkele keelblaas of twee wangblazen. Met name de keelblaas kan zeer ver worden opgeblazen en is bij sommige soorten bijna net zo groot als de kikker zelf. Bij het kwaken wordt lucht lang het strottenhoofd gevoerd waarbij het de stembanden in trilling brengt. Iedere soort heeft een ander geluid, zodat de exemplaren binnen eenzelfde soort elkaar makkelijk kunnen vinden.
     
Lamellae Lamellae is het Latijnse woord voor flappen, of ribbels. Het Nederlandse woord lamellen, de lichtregulerende raamgordijnen, is er van afgeleid.

In de biologie betreft het geribbelde of gevouwen weefsels, zoals de boeklongen van spinnen, die bestaan uit gevouwen weefselplooien met zuurstofopnemende cellen.

Bij gekko's, kleine hagedissen die zelfs over glas kunnen lopen, betreft het de tenen, waarvan de onderzijde voorzien is van kleine huidplooien. Elke plooi bevat miljoenen zeer kleine haar-achtige structuren, die met het blote oog niet waargenomen kunnen worden. De haartjes zijn zo klein, en hebben elk weer zoveel uitlopers, dat ze een kracht opwekken die alleen op zeer kleine schaal plaatsvindt.

Dit heeft te maken met het feit dat het oppervlak groot genoeg is om het gewicht te dragen en zo de zwaartekracht te weerstaan. Door de extreem kleine haartjes wordt het feitelijke contactoppervlak zo groot dat een gekko van veertig kilogram aan het plafond kan hangen. Deze krachten, die alleen werken op moleculair niveau, heten Vanderwaalskrachten.  
     
Larven

Een larve (ook larf) is de eerste levensfase nadat het dier uit het ei gekomen is en dat afwijkt van het volwassen stadium waarin de voortplanting plaatsvindt. Larven komen voor bij veel vissoorten en alle amfibieën en bij zeer veel ongewervelde diergroepen. Ongewervelde dieren waarvan de meeste soorten een larvaal stadium bezitten zijn de insecten, aquatiele kreeftachtigen, rankpootkreeften, mariene (en sommige zoetwater) weekdieren, de stekelhuidigen, trematoden, borstelwormen, enzovoort. Veel diergroepen volgen een karakteristieke ontwikkeling en niet bij alle is het larvale stadium het enige stadium voordat het volwassen stadium bereikt wordt: soms zitten er nog één of meer andere stadia tussen zoals bij de insecten. De larvale stadia van verschillende diergroepen hebben ook vaak een eigen naam, zo worden het vrijzwemmende stadium van veel vissen de trochophora-larve genoemd.

Larven van vissen en amfibieŽn kennen geen indirecte metamorfose, maar veranderen geleidelijk. Bijna alle amfibieën-larven verliezen uitwendige kieuwen, een deel van de staart (bij kikkers volledig), en krijgen een andere tekening. Ook worden de longen ontwikkeld.

Bij insecten verandert de larve in een imago nadat verpopping heeft plaatsgevonden. In de pop veranderen de in- en uitwendige kenmerken drastisch, dit wordt ook wel volledige gedaanteverwisseling genoemd; de larven van insecten lijken niet op het imago, in tegenstelling tot wantsachtigen, die een nimfstadium kennen. Het bijzondere van deze ontwikkeling is dat er vaak totaal andere organen ontstaan tijdens de verpopping.
Veel larven hebben een soort vaste naam, omdat ze per groep niet veel verschillen:

  • Kevers: larve heet engerling (bladsprietkevers),
  • rietnaald etc. rupsachtig maar vaak stevige kaken en klauwen - achterlijf veel groter
  • Vliegen: made gesegmenteerd wormachtig, geen poten Langpootmuggen (Diptera): emelt
  • Vlinders): rups wormachtig, met vooraan gelede (meestal 6) en achteraan ongelede (meestal 4) poten
  • Kikkers en padden: kikkervisje of dikkopje, ook (streekgebonden): kwakkebol, donderkopje
  • Kreeften: naupliuslarve Mediabestanden
     
Macrofauna De term macrofauna staat voor ongewervelde dieren die met het 'blote' oog te zien zijn, de zogenaamde macro-invertebraten. Macros komt van het Griekse woord "makros" dat "groot" betekent. In de hydrobiologie heeft de term gewoonlijk betrekking op de kleinere, zonder loep of microscoop zichtbare dieren die in het water leven.

Soms wordt macrofauna gedefinieerd als alle ongewervelde dieren die achterblijven op een zeef met openingen van 0,5 mm. Macrofauna wordt gevormd door kevers, slakken, platwormen, bloedzuigers, larven van libellen en andere ongewervelde dieren die groter zijn dan een halve millimeter. Voorbeelden (in het zoete water) zijn waterpissebedden en aasgarnaaltjes. Deze dieren leven meestal op de bodem van het water, vaak min of meer verborgen tussen waterplanten en/of stenen, takken en wortels. Macrofauna dat verborgen in de modder of het slib leeft, behoort tot de benthos. In dat geval spreekt men van macrobenthos. Een voorbeeld daarvan zijn de larven van dansmuggen ('bloedwormen'). Macrofauna vormt het belangrijkste voedsel voor vissen. De definitie geldt ook voor organismen met dit formaat in zeewater. Echter, daar ontbreken insecten, maar daar zijn wel allerlei soorten kreeftachtigen, wormen, stekelhuidigen en weekdieren.

Het voorkomen van verschillende soorten macro-invertebraten hangt in belangrijke mate af van de waterkwaliteit. Sommige soorten komen enkel voor in water van een zeer goede kwaliteit, anderen komen vooral voor in vervuild water. De samenstelling van soorten en aantallen macro-invertebraten in het water geeft daardoor een idee van de waterkwaliteit. Dit wordt gebruikt in waterkwaliteitsindexen, die op basis van de in het water aanwezige macro-invertebraten een oordeel over de waterkwaliteit geven.
     
Melanisme Melanisme is het tegenovergestelde van albinisme en betekent dat een enkel individu van een (meestal dier)soort een overwegend zwarte kleur heeft, terwijl andere individuen een andere, meestal lichtere kleur hebben.

Indien deze zwarte kleur voordelen biedt, en er meerdere exemplaren verschijnen die zich ook voort gaan planten, kan een gehele ondersoort melanistisch worden. Als de ondersoort door het melanisme dusdanig succesvol is dat het andere ondersoorten kan verdringen, kan zelfs een gehele soort melanistisch worden, maar dat is zeldzaam.

Bij reptielen, en met name bij hagedissen komt melanisme regelmatig voor. Hoe donkerder een hagedis is, hoe efficiŽnter het dier het zonlicht kan opvangen, waardoor het een groot voordeel heeft ten opzichte van soortgenoten met een lichte kleur. Als het voedsel schaarser wordt, kan een melanistische (zwarte) kleur de doorslag geven als overlevingsvoorwaarde. Het heeft ook nadelen; een zwarte kleur zorgt niet alleen voor een snellere opwarming, maar ook voor een snellere uitstraling van warmte. Er zijn ook andere voorbeelden: zwarte panters zijn melanistische luipaarden.
     
Metamorfose Een gedaanteverwisseling of gedaanteverandering is een verandering van lichaam, of in het algemeen van vorm. Andere woorden voor gedaantewisseling zijn metamorfose of transfiguratie.

In de natuur komt een gedaantewisseling wel in werkelijkheid voor, bijvoorbeeld bij insecten, als ze zich van een larve omvormen tot een imago, zie volledige gedaanteverwisseling en onvolledige gedaanteverwisseling bij insecten. Ook een amfibie zoals de kikker vertoont een gedaanteverwisseling van kikkervisje naar volwassen kikker.
     
Micronesië Micronesië is een van de drie grote eilandgroepen in de Grote of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen. Het gebied wordt omsloten door de Filipijnen in het westen, Indonesië in het zuidwesten, Papoea-Nieuw-Guinea en Melanesië in het zuiden en Polynesië om het zuidoosten en oosten.
     
Mimicry Bij mimicry, mimicrae of nabootsing lijkt een dier of plant op een ander dier of plant, veel meer dan door toeval, levenswijze en gezamenlijke afstamming verwacht mocht worden. Een van beide soorten bootst de andere soort na. Het is een variant van camouflage waarbij het dier de herkenning niet vermijdt maar als iets anders herkend zal worden.
     
Monogamie De enige oorzaak van monogamie blijkt een verhoogde aanmaak van het hormoon ADH te zijn. De aanmaak van ADH is bij monogame diersoorten veel hoger dan bij soorten die polygaam of promiscue zijn. Dit mechanisme schijnt in de evolutie meerdere keren opnieuw te zijn uitgevonden want het is tussen niet-verwante soorten hetzelfde.

De Klauwaapjes en de Californische Veldmuis bijvoorbeeld zijn allebei monogaam en bij beide soorten is een verhoogde aanmaak van ADH waargenomen, toch zijn deze soorten evolutionair niet verwant. Om te achterhalen of ADH de enige bepalende factor is verrichtte Larry Young een experiment waarbij, door genetische manipulatie, de aanmaak van ADH in de Graslandwoelmuis verhoogd werd. De Graswoelmuis is van nature promiscue, maar de gemanipuleerde muizen werden verliefd en bleven trouw aan hun partner. Monogamie wordt dus door slechts één gen veroorzaakt.
     
Neotenie Neotenie (Grieks: neo: nieuw, jong + tenein: blijven) is het verschijnsel dat bij sommige diersoorten de larven (juvenielen) in het wild het volwassenstadium nooit bereiken, maar zichzelf wel kunnen voortplanten. Met name dat laatste is vrij uniek, omdat in de natuur volwassenheid synoniem is voor geslachtsrijpheid.

Bij neotenie zijn de omstandigheden zodanig dat het voor de dieren gunstiger is als zij niet volwassen worden. Bij sommige salamanders verliezen de dieren hun kieuwen als zij volwassen worden. Dat is een groot nadeel voor bijvoorbeeld soorten die in diepe meren of kraters leven (zoals de axolotl). In grotten is namelijk de zuurstofconcentratie veel lager dan elders, door het ontbreken van licht en dus ook van waterplanten.

Verder komt neotenie voor bij sommige motten, kevers en waaiervleugeligen, een familie van insectenparasieten, maar alleen bij vrouwelijke exemplaren.
     
Neotropisch gebied Het Neotropisch gebied is een begrip in de biogeografie. Het begrip wordt vaak gebruikt om het verspreidingsgebied van biologische soorten te specificeren.

Voor zoölogen omvat het gebied Zuid-Amerika, Midden-Amerika, het Caribisch Gebied en het zuidelijke puntje van Florida. Het Neotropisch gebied (vanuit zoölogisch oogpunt) wordt in het oosten, westen en zuiden door oceanen omgeven. In het noorden vormt het zeer droge en hete gebied in Noord-Mexico een natuurlijke barrière, waardoor er weinig uitwisseling tussen de diersoorten van Noord- en Zuid-Amerika is.

Het aandeel regenwoud binnen het neotropisch gebied is groter dan in alle andere biologische arealen. De regenwouden strekken zich uit van Zuid-Mexico door Midden-Amerika en het noordelijk deel van Zuid-Amerika tot het zuiden van Brazilië. Deze gebieden, waaronder het Amazoneregenwoud, hebben een grote biodiversiteit en staan de laatste decennia door grootschalige ontbossing onder grote druk.
     
Nestvlieders

In de biologie maakt men bij ouderzorg onderscheid in nestvlieders en nestblijvers. Nestvlieders hebben:

  • een langere draagtijd (of broedtijd) dan de nestblijvers.
  • kleinere worpen (of legsels).
  • Ver ontwikkelde jongen die al gauw het nest verlaten.

Het onderscheid tussen nestvlieders en nestblijvers is vooral scherp bij vogels. Hier behoren veel grote bodembroeders zoals kip, fazant, wilde eend en kievit tot de nestvlieders. Hun jongen:

  • hebben donsveren (warmhoudend en camouflerend).
  • hebben hun ogen open. kunnen meteen na het uitkomen lopen.
  • kunnen meestal zelf voedselzoeken.
  • Ze pikken naar alles wat hun voor de snavel komt en ze leren al gauw hun voedsel te herkennen.

Nadat ze korte tijd in het nest gebleven zijn om het dons te drogen, verlaten ze het nest. Toch hebben ze ook nu nog enige zorg nodig:

  • Bij eenden, ganzen en steltlopers is dat warmhouden en bewaken. Ze blijven dicht bij de moeder en zoeken bescherming onder haar vleugels zodra dat nodig is.
  • Bij sommige hoenders (bijv. fazant) leiden de vrouwtjes de jongen naar het voedsel toe en laten hen het zien.
  • Bij futen en scholeksters worden de jongen gevoerd.

Er is geen absolute grens tussen nestvlieders en nestblijvers. Er is een overgangsvorm: semi-nestvlieders. Hieronder verstaan we kuikens die met een donskleed en open ogen uit het ei komen, maar toch enige tijd in het nest blijven en door de ouders gevoerd worden. Voorbeelden hiervan zijn meeuwen en sommige rallen (meerkoet, waterhoen).

     
Omnivoor Een omnivoor (Latijn: omnis, "elk, ieder"; -vorus, "etend, eter") is een alleseter oftewel een dier dat zowel plantaardig als dierlijk voedsel kan eten om te overleven. Een overwegend carnivoor dier dat tenminste 5% plantaardig voedsel eet of een overwegend herbivoor dier dat tenminste 5% dierlijk voedsel eet noemt men omnivoor.

Het dieet is bij een omnivoor afhankelijk van wat er op dat moment beschikbaar is en kan allerlei plantaardige en dierlijke producten omvatten.
     
Ondervacht Vettige en wollige korte haren, die direct tegen de huid liggen.
     
Oötheca Een ootheca, ook wel oötheca, is een eicapsule van bepaalde insecten. De term oo-theca betekent letterlijk vertaald eierkast. Insecten die de eieren in een beschermende capsule afzetten zijn rechtvleugeligen (sprinkhanen en krekels), bidsprinkhanen en kakkerlakken. Afhankelijk van de groep en soort zitten er tussen de enige tientallen en enkele honderden eitjes per ootheek.
     
Orgaan Bidder Het orgaan van Bidder is een naar de bioloog Friedrich Bidder vernoemd rudimentair orgaan. Het komt alleen voor bij een groot aantal soorten van de padden, een familie van kikkers.

Het is het sterkst ontwikkeld bij de juveniele dieren en is zowel bij de mannelijke als de vrouwelijke exemplaren aanwezig. Het is echter niet functioneel, alleen wanneer bij de mannetjes de testikels worden verwijderd zwelt het orgaan op. Het gaat vervolgens levensvatbare eicellen produceren, en ook een gedegenereerde eileider ontwikkelt zich zoals die van de vrouwtjes. Dit is echter alleen uit laboratorium waargenomen en wat de functie in de natuur is, is niet precies bekend.

Uit onderzoek blijkt dat in het orgaan verschillende giftige verbindingen aanwezig zijn zoals cardiotoxinen of stoffen die een ernstige allergische reactie (anafylaxie) kunnen veroorzaken. Vermoedelijk speelt het orgaan van Bidder ook een rol in de verdediging van de padden.  
     
Orgaan Jacobson Het orgaan van Jacobson is het reukorgaan van slangen en sommige hagedissen zoals skinken en varanen. Ook zoogdieren als muizen, olifanten en zelfs mensen hebben waarschijnlijk een dergelijk orgaan.

Het is een soort kruising tussen de menselijke reuk- en smaakorganen neus en mond, omdat zowel de tong als een soort neusweefsel betrokken zijn bij het gebruik van dit orgaan. Net als de menselijke neus heet dit type zintuiglijke waarneming met een wetenschappelijker woord een vomeronasaal orgaan (organum vomeronasale); vomero verwijst naar het vomer-botje van de neus, nasaal betekent met de neus opnemen. Een andere methode is bijvoorbeeld smaak, waarbij moleculen door de tong worden waargenomen met behulp van papillen die geurreceptoren bevatten.

De werking is per diergroep iets verschillend, een zoogdier ademt lucht in en voert deze langs het orgaan van Jacobson. Bij een reptiel werkt het anders; hij steekt de tong uit waarna er geurdeeltjes op blijven 'plakken', en vervolgens stopt hij de uiteinden van de tong in een holte en strijkt deze langs het orgaan van Jacobson. Geurdeeltjes zijn in wezen niets anders dan verdampte moleculen die door de samenstelling na analyse door receptoren en verwerking door de hersenen een bepaalde herinnering bij het dier oproept. De moleculen die in de uitgeademde lucht van een prooidier zitten worden als zodanig herkend, en de jacht wordt geopend. De geur van vijanden daarentegen jaagt schrik aan en maakt het dier alerter. Door snel met de tong op en neer te bewegen, worden meer geurdeeltjes opgenomen, vandaar dat bijvoorbeeld een slang 'kwispelt' met de tong. Als een slang wordt verstoord zie je ze dat al snel doen.

Het orgaan van Jacobson is hiernaast schematisch weergegeven; het betreft in het voorbeeld een kop van een slang.

Zoals te zien is, is er bij slangen meer weefsel in de neusholte dan in het orgaan van Jacobson, maar dit neusweefsel heeft door de grote effectiviteit van het extra orgaan waarschijnlijk langzaam de 'geurcellen' verloren, en dient enkel voor het bevochtigen van de lucht, het is een ondergeschikt reukorgaan dat veel minder kan waarnemen. Het orgaan van Jacobson wordt bevochtigd door een uitgroeiing van de traanklier.

Bij veel hagedissen is de tong spits, maar bij slangen, hazelwormen en varanen gespleten. Dit geeft ze een veel grotere efficiëntie, omdat ze met een gespleten tong beter "in stereo" kunnen ruiken. Ze kunnen dus waarnemen waar de geur sterker is, ofwel waar deze vandaan komt. Ook de meeste zoogdieren (waaronder mensen) kunnen dat, omdat hun uitwendige neusopening uit twee neusgaten bestaat.  
     
Ovipaar Ovipaar betekent eierleggend, en is een voortplantingsmethode die men bij vrijwel alle dieren tegenkomt. Tegenhanger is vivipaar; wat levendbarend betekent Er is ook een tussenvorm, waarbij de juvenielen wel in een zachte schaal ter wereld komen, maar al voor of direct na de geboorte uit het vlies kruipen, dit heet ovovivipaar ofwel eierlevendbarend.

Voorbeelden van eierleggende dieren zijn vissen, reptielen, amfibieën en geleedpotigen, die vrijwel allemaal eieren leggen. Zelfs sommige zoogdieren leggen eieren, namelijk de cloacadieren waartoe het vogelbekdier behoort. Alleen bij de vogels leggen zonder uitzondering alle soorten eieren. Bij alle andere groepen zijn vele uitzonderingen, zelfs sommige geleedpotigen zijn levendbarend, zoals de schorpioenen. Ook veel reuzenslangen zijn in tegenstelling tot de meeste andere slangen (eier)levendbarend en ook bij de vissen leggen een aantal soorten geen eieren. Het leggen van eieren heeft diverse voor- en nadelen, die sterk uiteenlopen.
     
Ovivoor Ovivoor is een term in de biologie die betekent dat een dier zich vrijwel uitsluitend met eieren van andere dieren voedt. Voorbeelden hiervan zijn varanen, korsthagedissen en enkele soorten slangen. Onder de zoogdieren zijn de wasbeer, de otter en de hermelijn geduchte eierjagers.

Een aantal dieren kent bijzondere variaties van ovivoriteit; bijvoorbeeld de pijlgifkikker Dendrobates granuliferus, waarbij het vrouwtje nadat de kikkervisjes zijn uitgekomen toch eitjes blijft produceren. Deze zijn onbevrucht en dienen enkel om de larven te voeden. Hierdoor kunnen deze in zeer voedselarme condities overleven waar andere soorten het niet zouden uithouden, zoals zeer kleine plasjes water in kelkvormende planten.

De slangen uit het geslacht Dasypeltis eten eieren van vogels, die in ťťn keer worden doorgeslikt. Eenmaal in de keel wordt het ei gekraakt door een uitsteeksel van de wervels. Vervolgens wordt de schaal weer uitgebraakt en de vloeibare inhoud verteerd.

Varanen zijn zo dol op eitjes dat ze nesten van krokodillen uitgraven, zelfs als de zeer agressieve moeder in de buurt is worden pogingen ondernomen.
     
Ovipositor

Een ovipositor is de legbuis van een insect, en wordt ook wel legboor genoemd.

Letterlijk betekent het (ovo =) ei (positor=) plaatser. Het is een holle buis, die bij veel soorten een beetje ingetrokken (langpootmug) en soms voor een groot deel ingetrokken kan worden (sprinkhaan). Over het algemeen hebben alleen sommige vliegen en wantsen een ovipositor, en uiteraard alleen vrouwelijke exemplaren. Vaak wordt de legbuis door de leek aangezien voor angel, terwijl het eigenlijk eerder een geslachtsorgaan is. De functies voor een ovipositor zijn eigenlijk hetzelfde, de eieren moeten ergens 'diep' in gestopt worden. Toch verschilt het wat er mee gedaan wordt;

  • Sprinkhanen leggen de eitjes letterlijk in een plant.
  • Larven van de langpootmug leven ondergronds van plantenwortels.
  • Sluipwespen steken door de huid van rupsen en de larven eten deze van binnen op.
Een ovipositor moet niet verward worden met de angel; hoewel het vermoeden bestaat dat het in aanleg hetzelfde orgaan is. Immers, angels komen alleen voor bij exemplaren die geen eieren meer hoeven te leggen (bijen, hommels, wespen) omdat ze een koningin hebben, en bovendien hebben de darren geen angel. Dazen en horzels hebben overigens geen angel; ze kunnen wel bijten
     
Ovovivipaar Van ovovivipare voortplanting (eierlevendbarendheid) is sprake als bij een dier de eieren in het lichaam van de moeder worden bevrucht en uitgebroed. Deze vorm van voortplanting vindt men onder meer bij diverse soorten haaien, reptielen, geleedpotigen, slakken en tweekleppigen.

Ovovivipare voortplanting verschilt van echte levendbarendheid zoals die bij de meeste zoogdieren wordt aangetroffen, vooral doordat het embryo niet, via een placenta of dergelijke, met het moederlichaam verbonden is om voedingsstoffen te verkrijgen en afvalstoffen af te scheiden. Alle voedsel is al vooraf aan het ei meegegeven; het moederlichaam dient slechts als een veilige omgeving voor het embryo. In sommige gevallen (vooral bij haaien, enkele slakkensoorten) treedt een vorm van kannibalisme op, waarbij het sterkste jong zijn broertjes en zusjes als voedsel gebruikt.  
     
Parthenogenese Maagdelijke voortplanting of parthenogenese, een vorm van ongeslachtelijke voortplanting, is het verschijnsel dat vrouwtjes van bepaalde diersoorten nakomelingen kunnen krijgen zonder dat hier mannetjes aan te pas komen: maagdelijke vrouwtjes leggen spontaan eitjes of baren jongen. Het woord parthenogenese komt van het Grieks. Bij planten spreekt men niet van parthenogenese maar van apomixie.

De nakomelingen van maagdelijke voortplanting zijn gewoonlijk vrijwel uitsluitend vrouwtjes. Voorbeelden: de gewone wandelende tak, sommige kevers en vele bladluizen, maar ook sommige hagedissen, salamanders en slangen. Ook bij de Komodovaraan schijnt sprake te zijn van parthenogenese en bij de haai is dit waargenomen.

Bij vissen treedt in de natuur vaak gynogenese op bij bijvoorbeeld de giebel en goudvis. De eicel wordt geactiveerd tot delen door vreemd of steriel gemaakt sperma. Het genetisch materiaal van het tweede poollichaampje wordt gebruikt om het embryo diploÔd te maken. De nakomelingen zijn homozygoot, maar niet identiek aan het moederdier, tenzij het moederdier ook homozygoot was. Het is ook mogelijk gynogenese te bereiken door een koude of drukschok waardoor endomytose wordt veroorzaakt en de haploÔde eicel zijn chromosomen verdubbelt. In de aquacultuur of voor onderzoek is het op deze manier mogelijk genetisch gelijke dieren te verkrijgen. Bij de eerste vorm van gynogenese wordt ook een bibliotheek aangelegd, omdat alle nakomelingen homozygoot zijn, maar met verschillende homologe chromosomen komen bij een groot aantal nakomelingen alle recessieve eigenschappen van het moederdier aan het licht.

Bij sommige diersoorten lijkt er uitsluitend sprake te zijn van parthenogenese. Er zijn dan vaak in het geheel geen mannetjes. Bij andere soorten is zowel parthenogenese als geslachtelijk voortplanting mogelijk. Soms worden dan één of meer generaties parthenogenetische voortplanting afgewisseld met geslachtelijk voortplanting. Dit komt bij bladluizen veel voor. Parthenogenese wordt soms ook niet opgemerkt omdat er wel gepaard wordt, maar deze paring enkel dient om de hormonenspiegel zodanig aan te passen dat het vrouwtje nakomelingen kan voortbrengen. De zaadcellen van het mannetje worden dan afgebroken zonder dat ze gebruikt zijn.

Bij de Hymenoptera (bijen, wespen en mieren) komt een bijzondere vorm van parthenogenese voor die arrhenotokie genoemd wordt. Bij de arrhenotoke voortplanting worden uit onbevruchte eieren mannetjes geboren en uit bevruchte eieren vrouwtjes. Maagdelijke vrouwtjes krijgen uitsluitend mannetjes als nakomelingen, bevruchte vrouwtjes kunnen bij de ovipositie de bevruchting al dan niet laten plaatsvinden. Aangezien de onbevruchte eieren haploÔd zijn, zijn de mannetjes haploÔd. Bevruchte eieren daarentegen zijn diploÔd en leveren vrouwtjes op. De sexratio bij soorten die zich op deze manier voortplanten kan enorm variŽren naargelang de beschikbaarheid van mannetjes.
     
Plankton Plankton is een verzamelnaam voor organismen die voornamelijk drijvend in het water leven, en zodoende voor hun verplaatsing voornamelijk afhankelijk zijn van de heersende stromingen. Dit in tegenstelling tot nekton dat zichzelf actief kan verplaatsen, onafhankelijk van de stromingen.

Een aantal soorten plankton kan zich wel actief verticaal in de waterkolom verplaatsen in een dag- en nachtritme. Plankton is er in allerlei maten, van bacteriŽn en eencellige algen tot kwallen. Er is zowel eukaryoot als prokaryoot plankton.

Plankton staat aan de basis van de voedselketen in het aquatisch milieu. Het wordt door veel andere dieren geconsumeerd zoals vissen en grote zeezoogdieren als baleinwalvissen. Er bestaan verschillende onderverdelingen binnen plankton waarvan deze de belangrijkste is:

Fytoplankton (Grieks phyton= plant) maakt gebruik van fotosynthese om energie te verkrijgen, waardoor ze behalve een belangrijke voedselbron, ook van essentieel belang zijn voor het zuurstofgehalte in het water. Zoöplankton (Grieks Zoo = dier) zijn kleine diertjes of larven.
     
Polyandrie Polyandrie of veelmannerij is het hebben van meerdere mannen tegelijkertijd. Het is daardoor een vorm van polygamie.
     
Predator Een predator is een dier of een ander organisme dat zijn prooi actief bejaagt om deze te doden, wat predatie wordt genoemd. Bij dieren wordt meestal van roofdier gesproken.

Bij de zoogdieren zijn een groot aantal rovende soorten onder de orde roofdieren (Carnivora) ingedeeld. Er zijn echter vele andere groepen dieren die andere dieren eten, zoals insecten, vissen en vogels, bijvoorbeeld roofinsecten en roofvogels. Bij de insecten komen veel soorten voor die levende prooien eten, bijvoorbeeld bidsprinkhanen en mieren. Spinnen en amfibieën zijn zonder uitzondering carnivoor, evenals veel reptielen. Bekende roofvissen zijn haaien, piranha's, barracuda's en snoeken. Een aantal roofdieren zijn omnivoor of aaseter afhankelijk van de hoeveelheid plantaardig of dood materiaal op hun menu (zie verder bij: omnivoor).

Een herbivoor (grazer) eet planten, maar de planten worden doorgaans niet gedood, ze worden gedeeltelijk gegeten (bijvoorbeeld: bladeren of vruchten) en blijven leven. Daarom zijn herbivoren geen echte predatoren.

Parasieten zijn geen predatoren, hoewel ze zich met levende dieren voeden. Parasieten zijn namelijk afhankelijk van het voortbestaan van hun gastheer. Een parasitoÔde onderscheidt zich van een predator doordat de parasitoÔde hooguit één enkele gastheer doodt.

Predatoren kunnen een gunstig effect hebben op de diversiteit aan soorten. Wanneer een roofdier één van twee concurrerende prooidiersoorten bejaagt, heeft de zwakkere soort, die niet of minder bejaagd wordt, ook kansen zich te handhaven. Die zwakkere soort zou zich niet kunnen handhaven zonder predator, dus is die predator in dat opzicht nuttig. Zeesterren eten bijvoorbeeld mosselen, waardoor eendenmosselen en algen zich kunnen handhaven.  
     
Primaten Primaten (Primates) of opperdieren vormen een orde van de zoogdieren, waartoe apen en halfapen behoren.

De belangrijkste unieke anatomische eigenschappen van primaten zijn de grootte van de hersenpan en de hersenen, het afgevlakte gezicht en de voorwaartse positie van de ogen, ontwikkeling van stereoscopisch gezichtsvermogen en hoge flexibiliteit van handen en voeten. Bijna alle primaten hebben aan elke poot vijf vingers of tenen, vlakke vingernagels, grote duimen en grote tenen. Hiermee kunnen ze voorwerpen vastpakken en vasthouden. Primaten kunnen kleuren zien.
     
Quarantaine Dit is het apart doen houden van mensen en dieren voor een bepaalde tijd, bijvoorbeeld voordat ze een land binnengaan. Doel van de quarantaine is het verminderen van het risico voor het verspreiden van een ziekte.
     
Rudimentair Een lichaamsdeel wordt rudimentair genoemd wanneer de functie van het lichaamsdeel ons (nog) niet bekend is. Het lichaamsdeel kan in de loop van de evolutie zijn functie verloren hebben of de functie is sterk verminderd. Het lichaamsdeel is nog wel aanwezig, maar is vaak tot minimale proporties gekrompen. Daarnaast is het ook mogelijk dat men de functie van het betreffende lichaamsdeel nog niet ontdekt heeft. Meer wetenschappelijk onderzoek moet daarover uitsluitsel geven.
     
Rudimentair bij slangen Een rudiment is een overgebleven lichaamsdeel dat ooit een functie had. Zo heeft de mens een stuitje. Dat is een overblijfsel van een staart die we ooit hadden. En nu heb je er niks meer aan.

Zo heeft een boa constrictor kleine klauwtjes aan beide kanten van zijn anus. Die klauwtjes waren ooit groter. Nu kan hij er niet meer mee lopen, maar in dit geval hebben ze wel een andere functie gekregen.

Een mannetje kan er een vrouwtje mee kietelen, zodat ze zin krijgt om te paren. De oogleden van een boa constrictor zijn ook vergroeid. Het lijkt wel of de slang er geen heeft. Ze zijn een doorzichtig laagje geworden over het oog heen. De slang slaapt dus met zijn ogen open.

Net als de rest van de huid gaat het laagje vergroeide oogleden er eens in de zoveel tijd vanaf.
De huid die na het vervellen achterblijft, is een volledige kopie van de buitenkant van de slang.
Dit noemen we een slangenhemd.
     
Seksueel dimorfisme Seksueel dimorfisme (sexus = geslacht; di = twee; morf = vorm, gedaante) of geslachtsdimorfisme is het verschil in uiterlijk tussen mannetjes en vrouwtjes bij dezelfde diersoort. Het betreft hier niet de geslachtsorganen zelf, maar andere morfologische verschillen in lichaamsvorm, lichaamsgrootte of lichaamskleur.
Seksueel dimorfisme kan zich tonen in verschillende lichaamskenmerken:
  • Grootte: (mannetjes groter of kleiner dan vrouwtjes) Bij veel vogels en zoogdieren zijn de mannetjes groter dan de vrouwtjes (voorbeeld: gorilla). Bij veel insecten, spinnen, padden en roofvogels zijn mannetjes kleiner (voorbeeld: havik).
  • Beharing: baardgroei bij de mens; manen bij de leeuw.
  • Kleur: bonte kleuren veren bij mannetjesvogels.
  • Huid: het gewei bij mannetjesedelherten.
  • Tanden: slagtanden bij mannetjeszwijnen en -walrussen. Snavel: een opvallend verschil in snavelgrootte en -vorm bij de geslachten van de uitgestorven Nieuw-Zeelandse huia.
  • Vleugel: het gedegenereerd zijn van vleugels bij enkele vlindersoorten, zie de lijst van vlinders waarvan het wijfje niet kan vliegen.
Enige dieren, vooral vissen en eenden, tonen seksueel dimorfisme alleen in de bronsttijd.
Seksueel dimorfisme is heel opvallend bij de fazant. De mannetjes zijn groter dan de vrouwtjes en hebben een prachtig verenkleed. Deze opvallende tooi maakt ze wel erg kwetsbaar voor roofvijanden. Hun levensduur is dan ook slechts 10 maanden, oftewel de helft van het vrouwtje. Anderzijds leveren de mooie veren wel reproductiesucces op, want vele vrouwtjes kiezen zo'n mooie haan om mee te paren.

Ook bij kuddedieren als edelherten wordt het reproductieve succes bepaald door het aantal vruchtbare vrouwtjes waarmee het mannetje weet te paren. Zijn gewei is een voorbeeld van een seksueel dimorfisch wapen. Hiermee bevecht het mannetje zijn paarrechten. Op deze manier zijn de grootste en sterkste mannetjes het meest succesvol bij de reproductie en geven ze deze eigenschappen door aan de volgende generatie. Ook hier gaat dat ten koste van hun eigen levensduur.

Toegang tot de andere sekse is niet de enige reden voor het bestaan van seksueel dimorfisme. Speciaal bij insecten zijn de vrouwtjes vaak groter dan de mannetjes. Hierdoor kunnen ze meer eieren dragen en leggen. Bij bijen en hommels zijn er zelfs verschillen tussen het fertiele vrouwtje (de koningin), de werksters (steriele vrouwelijke exemplaren) en de dar (het mannetje).

In sommige gevallen stelt seksueel dimorfisme mannetjes en vrouwtjes in staat verschillende voedselbronnen te exploiteren.
Op deze manier vergroten ze hun gezamenlijke opbrengst. Bijvoorbeeld bij sommige soorten spechten hebben de seksen snavels met verschillende lengte en vorm.
     
Slangenmelken Hoewel slangen geen zoogdieren zijn, kunnen ze wel worden gemolken. Zo noemt men het gif uit slangen halen. Dit wordt gedaan om er bijvoorbeeld serum van te maken. Cobra's worden gekweekt om van hun gif pijnstillers te maken. De slang spuit het gif door zijn holle giftanden, die op dunne injectienaalden lijken. Door zacht achter de kaken te drukken, komen er druppeltjes gif naar buiten. Het gif wordt opgevangen in een bakje door de tanden van de slang over de rand te duwen.
     
Solitair Een solitair dier iseen dier die niet in het gezelschap van anderen van zijn soort leeft. Het woord komt van het Latijnse solus, dat alleen betekent. Solitaire activiteiten zijn activiteiten die niet de aanwezigheid van anderen plaatsvinden.

Veel dieren leven van nature solitair, terwijl andere in groepen leven
     
Spermatofoor Een spermatofoor is het zaadpakketje van een mannelijk dier dat wordt afgedragen aan het vrouwelijk dier om bevruchting mogelijk te maken. Het kan gaan om uiteenlopende diersoorten, van gewervelde dieren als salamanders tot ongewervelde dieren als spinnen.

Bij de salamanders wordt de spermatofoor na een balts, die bestaat uit een soort dansje, afgezet door het mannetje die het door de cloaca afzet op het substraat. Het vrouwtje neemt het vervolgens op in haar cloaca zodat de eitjes kunnen worden bevrucht.

Bij sommige insecten wordt de spermatofoor niet alleen gebruikt voor de zaadoverdracht, maar ook om de vrouwelijke cloaca af te sluiten zodat geen andere mannetjes meer met haar kunnen paren, wat een nageslacht van het eerste mannetje dat met haar paart vergroot.
     
Stuitklier Een stuitklier is een onderhuids orgaantje vlak boven de staart van een vogel. In de stuitklier wordt vet geproduceerd dat via een kleine uitstulping naar buiten komt.

Het vet uit de stuitklier is noodzakelijk om het verenkleed van een vogel in goede conditie te houden. Zonder vetlaag zouden veren gemakkelijk vocht absorberen. Vogels zouden daardoor verkleumen en niet meer in staat zijn te vliegen of, in het geval van watervogels, te drijven. Het vet maakt de veren ook soepeler en beter bestand tegen slijtage.

Vogels stimuleren hun stuitklier met de snavel en verspreiden het vet over hun verenkleed door middel van strijkende bewegingen met snavel en kop.

Uit onderzoek is gebleken dat vet uit de stuitklier ook andere functies kan vervullen. Bij sommige vogelsoorten geeft het kleur aan de veren, werkt het bacteriewerend of verspreidt het een geur die roofdieren onaangenaam vinden.

Niet alle vogelsoorten hebben een stuitklier. Bij onder meer papegaaiachtigen is de functie van de stuitklier vervangen door de groei van speciale donsveertjes. Deze verpulveren en vormen een waterafstotend poeder op het lichaam van de vogel.
     
Syrinx De syrinx is het 'spraak'orgaan van een vogel. De syrinx bevindt zich aan het eind van de luchtpijp, waar deze zich opsplitst naar de bronchiŽn (luchtgeleiders naar beide longkwabben) en maakt geluid zonder de bij zoogdieren gebruikelijke stembanden. Het geluid wordt geproduceerd door het trillen van een combinatie van kraakbeen en membranen, die aangestuurd worden door zeer snelle spieren met een bewegingstijd van minder dan 10ms. Sommige vogels (bijvoorbeeld papegaaien) kunnen hiermee menselijke woorden nabootsen. Bij diverse zangvogels kan de syrinx meerdere geluiden tegelijkertijd produceren.
     
Territorium

Een territorium is bij dieren een tegen soortgenoten verdedigd leefgebied, hetzij door een individu, hetzij door een sociale groep. Het is een gebied om voedsel te zoeken en de jongen te verzorgen.

Een territorium wordt verkregen en behouden door te vechten en te dreigen. In het eigen territorium voelt een dier zich sterk. Hierdoor overheerst in het agonistische gedrag de agressie. Buiten het territorium overheerst de neiging tot vluchten. Op de grens is er een grote kans op een inwendig conflict.

Het territorium wordt vaak afgebakend, bijvoorbeeld met een geurvlag: urine (huishond, tijger), of met merktekens (bruine beer, dikdik).

Een territorium kan verschillende doelen dienen:

  • Het is de grootte van het areaal dat nodig is voor het vergaren van voedsel (=voedselterritorium).
  • Een areaal kan specifiek zijn voor vrouwtjes waarbij er een overkoepelend areaal is van mannetjes.
  • et is een gebied tijdens de paartijd waarin een mannetje zijn harem bewaakt.

Een vogel of vogelpaar verdedigt een territorium door middel van:

  • Zang (dit is het belangrijkste)
  • Dreigen (en soms zelfs:)
  • Vechten Door deze verdediging blijft 't behouden voor exclusief gebruik.
Een aantal soorten hebben nestterritoria. Een nestterritorium omvat slechts enkele decimeters rondom het nest. Voorbeelden hiervan zijn: spreeuwen, mussen, zwaluwen en gierzwaluwen.
     
Verlenge draagtijd Een verlengde draagtijd houdt in dat de bevruchte eicel zich een paar keer deelt en dan voor een paar maanden ophoudt met groeien. Pas in de winter of het voorjaar gaat het embryo verder met groeien, waardoor de jongen in een gunstig jaargetijde geboren worden. Dit gunstige jaargetijde kan per diersoort verschillen.
     
Vivipaar Viviparie of vivipariteit betekent letterlijk levendbarendheid, het verschijnsel dat de juvenielen van een diersoort direct uit het moederdier ter wereld komen, en is een geslachtelijke vorm van vermeerdering. Bij dieren is dit een relatief normaal verschijnsel, hoewel de meeste soorten ovipaar ofwel eierleggend zijn, dit in tegenstelling tot bij planten. De bekendste vivipare dieren zijn zoogdieren, die nagenoeg allemaal levendbarend zijn.

Uitzondering vormen de eierleggende cloacadieren: het vogelbekdier en de mierenegels. Een tussenvorm, waarbij het moederdier wel eieren legt, maar waarbij de jongen direct uit het ei kruipen, wordt ovovivipaar genoemd. Van een harde of stevige schaal is dan meestal geen sprake, de jongen komen in een dun vliesje ter wereld. Vrijwel alle diersoorten die levendbarend zijn kennen een vorm van broedzorg, en zorgen een tijdje voor het nageslacht.
     
Vogeltenen

Vogels hebben vier tenen aan elke poot, sommige slechts drie terwijl de Struisvogel de enige vogel is met twee tenen. De manier waarop ze aan de poot zitten heeft te maken met hun functie. De meerderheid van de vogels heeft drie naar voren wijzende tenen en een teen, de eerste of hallux, aan de achterzijde van de poot. Andere typen zijn:

  • twee tenen naar voren en twee naar achteren wijzend (zygodactyl)
  • de buitenste (vierde) teen kan zowel naar voren als naar achteren gedraaid worden, zoals bij uilen
  • de eerste teen kan ook voorwaarts gedraaid worden
  • allevier tenen wijzen permanent naar voren (pamprodactyl)
  • de derde en vierde teen zijn gedeeltelijk vergroeid met een enkele brede 'voet'zool
De meeste watervogels hebben zwemvliezen tussen de tenen, zodat de poot in zijn geheel als peddel gebruikt kan worden.
     
Winterslaap De winterslaap is een staat van voortdurende hypothermie (te lage lichaamstemperatuur). Dit kan meerdere dagen en zelfs enkele weken duren. Het evolutionaire voordeel van het houden van een winterslaap is dat een dier tijdens de winter kan overleven, zonder energie te hoeven besteden aan het zoeken van voedsel, dat dan moeilijk te vinden is. Door in winterslaap te gaan houden sommige dieren hun energie juist vast.

Tijdens deze winterslaap vertraagt het dier zijn stofwisseling tot een zeer laag niveau. Dit is te bereiken door een verlaging van de lichaamstemperatuur en het ademhalingsritme. Door gebruik te maken van vetreserves die tijdens de actieve warmere maanden werden opgeslagen, kan het dier het zo langere tijd uithouden. Zoogdieren die winterslaap houden kunnen na afloop hun lichaamstemperatuur normaliseren door middel van warmteproductie in bruin vetweefsel.

Sommige dieren die een winterslaap houden, bewegen enkele keren in hun slaap, andere dieren slapen het gehele seizoen aan een stuk door.

Zowel land- als waterzoogdieren kunnen een winterslaap houden. Voorbeelden hiervan zijn de vleermuis en de egel. Ook reptielen als bepaalde soorten schildpadden en slangen, en amfibieŽn houden een winterslaap.

Van de Nuttalls nachtzwaluw is bekend dat deze (als een van de weinige vogels) een winterslaap houdt. Ook sommige regenwormen houden een soort winterslaap.

Dieren die in het water leven kunnen onder of boven water een winterslaap houden. Zo doet de roodwangschildpad dit onder water. De schildpad graaft zich in de modder in, op de bodem van een vijver.

De beer staat bekend als een winterslaper, maar is dat niet. We spreken van winterrust. Zijn hartslag vertraagt weliswaar, maar zijn lichaamstemperatuur blijft vrij constant. Hij kan dan ook gemakkelijk wakker worden gemaakt. Andere niet-winterslapers die ten onrechte als zodanig worden aangezien zijn de das, de wasbeer en de opossum.

Alvorens een winterslaap te houden, eten de meeste soorten wonderbaarlijke hoeveelheden voedsel en slaan zo energie op in grote vetreserves. Sommige zoogdieren houden een winterslaap terwijl het vrouwtje drachtig is. De jongen worden geboren nadat het vrouwtje uit de winterslaap is ontwaakt.

Wanneer een dier in de zomer in een staat verkeert die op de winterslaap lijkt, wordt dit estivatie of zomerslaap genoemd.

Bij dieren wordt een soortgelijke periode in het algemeen winterslaap genoemd, hoewel sommige dieren bijvoorbeeld beren er eigenlijk een vorm van winterrust op na houden.
     
Yolsac De dooierzak is een membraneuze zak bevestigd aan een embryo , waardoor vroege voeding in de vorm van dooier in beenvissen, haaien, reptielen, vogels en primitieve zoogdieren.

Alle beenvissen , sommige haaien en roggen hebben dooierzakken in een bepaalde fase van ontwikkeling.
     
Zomerslaap Aestivatie (soms: estivatie) is de tegenhanger van de winterslaap namelijk een zogenaamde 'zomerslaap'. De reden voor een dier om in winterslaap te gaan is het feit dat het te koud wordt en er te weinig voedsel te vinden is. Tijdens hun winterslaap daalt de lichaamstemperatuur sterk. De meeste lichaamsfuncties zijn vertraagd. De hartslag is vertraagd en de hele stofwisseling van het dier staat op een laag pitje.

Er zijn dieren die ditzelfde doen maar dan niet omdat het te koud wordt, maar vanwege droogte en/of hitte. Aestivatie komt van het Latijnse woord aestivus, dat 'zomers' betekent. Er is ťťn zoogdier bekend, dat een langdurige slaap houdt, namelijk Cheirogaleus medius, een dwerglemur uit Madagaskar, gedurende zeven maanden per jaar.[1] Wegens de hoge temperaturen in deze periode van het jaar kan men moeilijk spreken over een "winterslaap", maar moet men het eerder een "zomerslaap" noemen.

De Afrikaanse longvissen graven zich in droge tijd in en omgeven zich met een cocon van opgedroogd huidslijm, die tot in de mondopening doorloopt. Zo kunnen zij lucht blijven ademen. In de cocon daalt de stofwisseling en alle lichaamsfuncties van de longvis tot een minimum. De vissen vervallen in een lethargische droogteslaap. Hieruit ontwaken ze pas wanneer het woongebied van deze vissen weer onder water komt te staan. Zij teren in op hun lichaamsvetten en bij lang aanhoudende droogte zelfs op hun spierweefsel. In experimenten houden longvissen een droogteslaap van meer dan vier jaar vol.

Naast de longvissen zijn er meerdere dieren die dit gedrag vertonen, vooral veel kikkers en padden graven zich in om droogte te overleven. Om zichzelf te beschermen tegen omstandigheden waar het dier niet goed tegen kan, kan het dus in een soort van diepe slaap gaan. Op deze manier hoeft het niet te eten en heeft het veel meer kans om de periode van extreme omstandigheden te overleven. Het vogelbekdier en de grondeekhoorns zijn nog twee diersoorten die aan aestivatie doen. Verder zijn er sommige slangensoorten en andere woestijndieren die in periodes van extreme hitte in 'zomerslaap' gaan in holen onder grond.

Een aantal landslakken uit de genera Helix, Cernuella, en Otala houden een zomerslaap in de warmste periode van de zomer. Ze klimmen dan op planten of palen om te ontsnappen aan de hitte die uit de grond komt. Ze sluiten de opening van hun slakkenhuisje af om waterverlies te vermijden. Hiertoe scheiden ze een mucus af wat indroogt en een membraan vormt, het epifragma. Dit membraan kan bij bepaalde soorten, zoals de wijngaardslak (Helix pomatia), versterkt worden met calciumcarbonaat en aldus gelijken op een operculum. Het bevat een klein gaatje waardoor de slak kan 'ademen'. Ook veel landkrabben brengen de warmste dagen van de zomer door in inactieve toestand diep in hun gegraven hol.
     
Zwemblaas De zwemblaas van de vis is een luchtdichte flexibele blaas gevuld met gas. Hij ligt boven in de buikholte vlak onder de ruggengraat. De wanden van de zwemblaas zijn gasdicht door het grote gehalte aan guanine kristallen.

Dit orgaan komt voor bij straalvinnigen. De zwemblaas stelt de vis in staat om zijn massadichtheid voortdurend aan te passen en het lichaam op de gewenste diepte te houden zonder dat de vis verder energie hoeft te verbruiken met zwembewegingen.